Translate

zaterdag 14 september 2013

Heeft de mens niets over voor de eeuwigheid?


Ik zou U eigenlijk iets willen vragen.

In de wereld is zoveel leed, onder mensen is zoveel verdriet, in de mens zie ik ook zoveel lastige invloeden en gevoelens en moeilijkheden. En ik krijg de neiging om tegen U te zeggen: “Waarom moet het zo, kan het niet anders? Kon U geen wereld maken, waarin we gelukkig zijn? Waarin we gelijk een soort engelen zijn?”
En gelijk daarna weet ik het al.

Wij moeten en kunnen goden worden. En dat doe je door te oefenen.
Hoe kan  de mens ooit een kosmisch wezen worden als hij niet eerst geleerd heeft orde te scheppen in zijn eigen kleine kosmos?

In zijn gedachteleven?
In zijn gevoelsleven?
In zijn begeerte leven?
In zijn fysieke leven?

Hoe kan de mens een godgelijk wezen worden als hij niet eerst afgeleerd heeft een slaaf te zijn?
Nou ja, U geeft me dat alles natuurlijk in, dus eigenlijk wil ik aan U vragen: heb ik het zo goed begrepen?

Je hebt het goed begrepen.
De mens is een nietig wezen en zal tot stof wederkeren.
Maar ook is het zo, dat de aarde voor de mens is gemaakt.
Tegenstrijdig?
Nee.
Het is een lijn, een continuüm, een proces, een wonderschone levensgang.
De schone, maar moeilijke weg van de mens.

Van stof naar God.
Van tijdelijkheid naar eeuwigheid.
Van beest naar geest.
Van niets naar alles.
Van lijden naar geluk.
Van slaaf naar bevrijd.
Van onwetend naar verlicht.

Heeft de mens daar niet iets voor over?
Want de mens wordt gered.

Gered uit zijn tijdelijkheid.
Gered uit zijn doodsgang.
Gered uit zijn verloren staat.

En dit proces verloopt niet automatisch.
De mens wordt gered en begeleid en gestimuleerd en gekoesterd en gericht door God.
En God woont hiertoe in de mens.

En is Richter van zijn gedachten.
En Behoeder van zijn gevoelens.
En Bewaarder van zijn lichaam.
En Inspirator van zijn geestelijk lichaam.
En Creator van zijn ziel.

Wil de mens daar niet een klein beetje voor lijden?
De mens doet dat voor zijn eeuwigheid.
Is dat niet wat waard?

Wees jullie allen gezegend

Nr. 183